Opnieuw duikt dan weer een dilemma op. De toegenomen belangstelling voor Athos komt ook, lijkt mij, door die toegenomen publiciteit, met name dus door de enorme hoeveelheid gemakkelijk beschikbare beelden. En ik moet toegeven dat ik daaraan zelf feitelijk meedoe met mijn blog. Aandacht besteden aan iets dat je dierbaar is veroorzaakt mogelijk meer belangstelling. Dat is mooi, zolang als het te overzien is. Maar waar ligt de grens? En wie bepaalt en bewaakt die? (Naar mijn idee de Athosmonniken).
Mijn bespiegelingen over de (te) grote aantallen hangen dan ook eigenlijk nauw samen met de snelle ontwikkelingen op allerlei terreinen in de wereld buiten de Heilige Berg. Die ontwikkelingen maken het steeds moeilijker om je echt uit die buitenwereld terugtrekken, althans die buitenwereld kan jou gemakkelijker dan vroeger weer bereiken, of je wilt of niet helaas. Neem alleen al maar het gegeven dat bijna iedere bezoeker een smartphone bij zich heeft, waarmee hij massaal de 'verboden' om (ongevraagd monniken) te filmen en fotograferen overtreedt.
En hoe moeten monniken met hun filoxenía hiermee omgaan? Hebben ze een keus? Sommige oprechte pelgrims menen dat de monniken door hun eeuwenoude traditie min of meer verplicht zijn om iedereen die op hun deur klopt te ontvangen. Moeten ze dan ook dat veranderde gedrag gewoonweg accepteren? Ik kijk er slechts van buiten tegen aan en ik leef er niet. Dat neemt echter niet weg, dat ik zie wat op mijn monnikvrienden en hun kloosterleven af komt. En dat benauwt mij wel (met mijn kennis van de buitenwereld). In de jaren tachtig zijn overigens ook (m.i. terecht) beschermende maatregelen genomen.
Het verminderen van het aantal bezoekers zal heus niet automatisch het graffitigedrag doen verdwijnen, dergelijk gedrag is in de reis/toerismewereld al honderden jaren oud. Maar in dat woord toerisme schuilt m.i. juist het gevaar, zeker als het programma ongebreideld wordt uitgevoerd.
In de Griekse reis- en toeristenwereld (HATTA) meent men dat 'religieus toerisme' verder kan worden ontwikkeld en grote mogelijkheden biedt. Nikos Kelaiditis zegt dat op de Agion Oros nu 'only a certain number of visitors are alowed in order to prevent overloading. To monks, Athos is where they withdraw from our noisy world. Perhaps it is reasonable to prevent uncontrolled number of tourists. Some abbots and their representatives are not negative towards religious tourism but at the same time, they do not support its large-scale development. 'Hij voegt eraan toe 'that many foreigners with financial resources, who are not orthodox Christians, are interested in visiting Mount Athos'.
De Agion Oros betrekken in 'religieus toerisme', ook (juist) vanuit financiële overwegingen, doet mij toch een Metéora-scenario vrezen. Monniken kunnen toch niet in een museum leven?, denk ik dan. En ook al is de Heilige Berg geen museum, de afgelopen vijf en twintig jaar hebben de EU en UNESCO heel veel geld in de restauratie, renovatie en brandpreventie van kloosters en kapellen gestoken. Dat mag toch ook duiden op de erkenning van het internationale belang van deze plek zoals die (in principe) al eeuwen is.
Een van de programma-onderdelen dat een behoorlijke invloed heeft gekregen op het pelgrimeren is de aanleg van brede zandwegen. Daardoor zijn de kloosters nu veel gemakkelijker te bereiken dan vroeger. Zeker na de grote brand in I.M. Chiliandaríou (2004) is de aandacht voor brandbestrijding flink gegroeid. Brandweerauto's zijn sneller ter plaatse, maar die niet alleen. De constructie van de wegen biedt de moderne pelgrim een comfortabele en snelle verplaatsingsmogelijkheid, maar vernietigde op verschillende plaatsen monopátia. En de aanleg van nieuwe wegen ging ook dit jaar nog door, zoals Wim Voogd fotografeerde.
De eerder genoemde site van de Duitse Vereniging van Vrienden van Athos meldt hierover: Orthodoxe (in tegenstelling tot westerse (Vasílis)) pelgrims rijden meestal per taxi(bus) van klooster naar klooster.Wandelen op de stoffige wegen is geen pretje.
Ik heb nu heel wat items besproken die je als een bedreiging kunt zien voor 'het (traditionele) monnikenleven'. Een belangrijke factor is evenwel ook nog de monnik zelf. Hij heeft ervoor gekozen hier op de Berg, buiten 'de wereld', te leven. Hij zal er, denk ik, zelf ook voor moeten zorgen dat dat mogelijk blijft.
Gelijk met bovengenoemde ontwikkelingen kreeg ook het aantal Athosmonniken een nieuwe impuls. Nieuwe (jonge) monniken brengen ook nieuwe ideeën mee. Ik weet nog dat ik voor de eerste keer een monnik met een GSM zag. Ik was stomverbaasd.

Monniken moeten, zoals altijd, in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Ze ontvangen (traditioneel) pelgrims met hun donaties of verkopen komposchinia en ze maken ook gebruik van moderne mogelijkheden: export van hout (gekapt, in mijn ogen, ten koste van hun natuurlijke omgeving) en van wijn, als (monnik)ondernemers. Ze krijgen daarbij met geld te maken en dat kan een valkuil vormen. Alles staat echter in dienst van hun toewijding aan God. Dat is bepalend. Modernisering, in welke vorm dan ook of hoe je die ook wilt zien, blijft een dilemma.