Woord vooraf

Een blog over de Agion Oros (Athos), de Tuin van de Moeder Gods, het spirituele centrum van het oosters-orthodoxe christendom.
En dus ook over kloosters, pelgrimeren en ikonen. (Tekst in geel bevat een link)
Wilt u op de hoogte blijven van nieuwe blogs? Abonneer u onderaan deze pagina.
Posts tonen met het label verslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verslag. Alle posts tonen

zaterdag 27 september 2014

393 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 7/7

De terugtocht straks naar mijn oude bekende wereld ervaar ik als iets goeds. Bij het afscheid van monnik Jozef roept deze vrolijk: ‘Grüsz Gott, tritt ein, bring Glück herein.’ Prompt krijgt hij een blosje en verontschuldigt zich. Dit is een katholieke spreuk, die hem ontglipt. Toch schrijft hij op mijn verzoek de ludieke tekst op.  Even later neem ik een foto van hem samen met Michael. Ik moet beloven deze niet te publiceren. Wel moet ik opnieuw de foto nemen. Jozef was niet tevreden met de eerste foto. 

Ons afscheid is warm. Hoe kan deze levendige monnik zich staande houden in een wereld, waar ik mezelf in de afgelopen drie dagen beklemd voel raken. Als gastenmonnik ontvangt hij de bezoekers. De lange slungelige Jozef met een donker warrig baardje en scheef monnikenmutsje loopt met een gretig vaartje op nieuwe bezoekers af. Hij praat gehaast en krijgt snel een kleurig blosje.

Jozef is een impulsieve aardige monnik, die zich schikt in de wat saaie kloosterregels en zich onderwerpt aan het gezag. Hij is overtuigd dat hij zo de hoofdprijs na dit leven verdient.
Michael blijft achter in dit klooster. Hij is geraakt door de lange slungelige impulsieve Jozef, die zich wringt in het keurslijf van kloosterregels.

De prijs die ik betaal voor de unieke kennismaking bestaat uit mijn zwijgen, geen kritische vragen, geen sarcasme, maar respect. Op Athos heb ik voldoende gezien en beleefd van de Orthodoxie, de starheid en de ijver waarmee men dit aardse leven alleen beschouwt als aanloop naar de hemel, de vereniging met God.


In Dáfni wacht een gezelschap op de boot. Er gaan veel Russen aan boord. Een Rus draagt op zijn borst een grote ingelijste ikoon en een vlag met de afbeelding van Tsaar Nicolaas. Mensen knielen voor de ikoon en kussen deze eerbiedig. In Rusland is een groep mensen, die pleiten voor het herstel van de monarchie en het tsaristische Russische rijk. Op de boot praat ik met hen in het Engels. Een Rus diept uit zijn rugzak een fles wodka, waardoor het gesprek gesmeerd verloopt. Zij vinden dat westerse journalisten een gekleurd en vertekend beeld van Rusland schetsen, waardoor het land in een kwaad daglicht komt te staan.


In Dáfni moeten we voor het inschepen eerst langs de douane. Alle plekken op het bovendek van de boot zijn bezet. De Rus met de ikoon op zijn borst en de vlag van de Tsaar hangt als een koene strijder tegen de railing. Om hem heen zit een grote groep Russen. De stemming is wat uitgelaten.



Zoveel goden, zoveel gelovigen, zoveel wegen, zoveel zekerheden, zo vaak ‘Wij hebben gelijk, wij bezitten de enige ware’. Geloof, zoveel doden, zoveel martelaren, zoveel heiligen. Onderweg zijn, zoveel gastvrijheid, zoveel warmte, zoveel levendigheid, zoveel inspanning, zoveel beloning. Geschiedenis, zoveel winnaars met zoveel verliezers. In Ouranoúpoli wacht de bus voor Thessaloníki.

dinsdag 23 september 2014

392 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 6/7

Van Kariés lopen we naar het klooster Koutloumousíou. Gastenmonnik Josef ontvangt ons. Josef komt uit Duitsland en was aanvankelijk protestant. Op zoek naar de ware godsdienst verbleef hij gedurende een week in een katholiek klooster. Hij werd pas echt geraakt toen hij de Orthodoxie leerde kennen.

Hij leeft nu zeven jaar in Griekenland, waarvan zes jaar op Athos en de laatste zes maanden als monnik in dit klooster. Katholieken mogen hier slapen, maar Josef noemt het katholieke geloof een dwaalspoor. Hij noemt onmiddellijk het jaartal en de naam van de paus waarbij het mis ging. De orthodoxie raadt af om met katholieken over geloof te praten. Dit kan de orthodoxe gelovige aan het twijfelen brengen.


Het open heldere gezicht van Jozef weerspiegelt zijn emoties. Hij reageert impulsief en enthousiast zoals een kind. Christus en God zijn volgens hem alleen de wegen waarlangs men naar de hemel kan gaan. De woorden van de monnik hebben bij Michael een gedreven bekeringsdrang opgeroepen.

Op onze kamer gaat hij verder met het betoog van de monnik. Zijn toon krijgt iets drammerigs en vaak herhaalt hij teksten. Ik vind hem slim, maar ook star. Michael wil ingewijd worden in de Orthodoxie en het kloosterleven. Zijn opleiding als bouwarchitect heeft hij niet afgemaakt. Hij wil kiezen voor het kloosterleven en niet voor een leven in de maatschappij. Later wil hij op Athos alleen leven. Hij is 26 jaar en heeft een vriendin gehad. Zijn moeder werkt in Oostenrijk als 24 uurverzorgster bij oude mensen aan huis.

Michael wil de kellí (kluizenaars onderkomen) bezoeken waar Paisos, een heilige monnik heeft geleefd. Josef vertelt op overtuigende toon enkele wonderen van deze monnik. Michael weet waar zijn resten zijn. Jozef vraagt dan gretig of er nog huid op de botten van de heilige zat. Jozef spreekt af waar hij ons op een bospad zal ontmoeten, zodat we samen naar de kellí van de wijze monnik gaan. We wachten een poos vergeefs op Jozef en keren terug. Achteraf blijkt dat Jozef zich heeft verslapen tijdens zijn middagdutje.

Op weg naar het klooster komen we een groepje Russen tegen. Een man vraagt of ik orthodox ben. Ik antwoord dat ik katholiek ben. Hierop vindt een man uit het groepje dat ik me onmiddellijk moet laten dopen. Als ik morgen sterf zal ik regelrecht naar de hel gaan en anders naar de hemel. Ik vind zijn reactie dwingend en primitief en bovendien onchristelijk.

Op een galerij voor de slaapkamers van het klooster Koutloumousíou praat ik met een groepje Duitse mannen. Onder leiding van een pastoor van hun Evangelische Gemeente bezoeken zij al meerdere jaren Athos. Zij doen dit uit wetenschappelijke interesse. Ze hebben belangstelling voor de resten van de vroegere religie binnen deze geconserveerde Byzantijnse enclave. De Evangelische godsdienst heeft volgens hen meer overeenkomsten met de Orthodoxie. Onze Nederlandse geloofspraktijk veroorzaakt bij hen slechts opgetrokken wenkbrauwen.

Zie ook: 381 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 1/7               
              383 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 2/7
              385 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 3/7
              387 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 4/7     
              390 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 5/7

vrijdag 19 september 2014

390 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 5/7


Ongeveer 160 man zoekt een plek op de houten banken langs de tafels. De vegetarische maaltijd staat klaar voor iedereen. Een pannetje rijstepap, soep, plakjes kaas, verse lenteui en brood.

Tijdens de maaltijd is het stil. Een monnik leest een tekst voor. Na de lezing rinkelt een belletje en staat ieder op. De monniken lopen langzaam zingend terug naar de kerk. Daar worden weer de ikonen gekust. Monniken en leken maken meerdere buikschuivers.

Terug in ons royale gastenverblijf is de balie bij het kantoortje van de gastenmonnik open. Michael en ik tonen onze diamonitirion ( visum Athos) en ons paspoort.

Op de gang komt Michael een monnik uit Moldavië tegen. Ze spreken beiden dezelfde taal, zodat Michael veel inside informatie krijgt. Fotograferen op Athos is verboden, maar als ik van Michael en de monnik een foto wil maken, kijkt de monnik eerst om zich heen, alvorens ik een foto neem.
 

De guestmaster schrijft ons in, geeft een schone lakenset en brengt ons naar een slaapzaal op de vijfde verdieping. Op het zaaltje staan vier rijen van negen bedden. 

In het klooster hangen twee klokken, een met onze Europese tijd en de ander met de Byzantijnse tijd. ’s Ochtends om zes uur staan we op. Na een kerkdienst eten we in de grote zaal, halen onze rugzakken op en lopen hetzelfde kustpad als de dag ervoor weer terug. Voor ons loopt een groepje pelgrims, waaronder enkele monniken. Op een kruising met een bredere lichtgele kalkgruisweg nemen we afscheid. Zij lopen richting Dáfni.

We lopen naar de hoofdplaats Kariés langs een stoffig pad. Uit een stofwolk verschijnt een fourwheeldrive die naast ons stopt. De monnik biedt ons een lift aan. Een stukje verder pikt de monnik twee Duits wandelaars op. Drie man met bagage delen met opgetrokken knieën het laadbakje.

In Kariés, het bestuurscentrum van de monnikenstaat Agion Oros, dwalen groepjes pelgrims rond. Het dorpje heeft een gemeentehuis, politiepost en brandweerkazerne. Rugzakken wachten tegen de gevels of rusten tegen lage muurtjes. De eigenaars staan in groepjes bijeen of drinken iets in.

Het wegdek bestaat uit grijze natuursteen, kunstig tot een vlak samengevoegd. Langs de hoofdstraat staan rood bruin geverfde winkeltjes. Op straat staan stoffige mini-busjes, wachtende rugzakken, monniken met zwarte pijen en platte cilindervormige hoofddeksels, de kamilauchion.

Iedereen wacht op vervoer naar een klooster, de Heilige Berg Athos of naar de haven van Dáfni. Onze twee Duitse medelifters hebben allebei een Garmin GPS. Ze hebben thuis een kaart van Athos gedigitaliseerd en de scan laten samenvallen met Google Maps. Het digitale resultaat zit in hun GPS apparaat. 

Met ons vieren lopen we naar het klooster Stavronikíta ongeveer halverwege de oostkust. De vierkante toren met erboven kantelen maken van het klooster een burcht. De guestmaster ontvangt ons met een glaasje rakí, water en zachtzoete loukoumi, en vergezelt ons naar de kloosterkerk. De Duitse mannen kunnen hier overnachten. Zij hebben tevoren gereserveerd. De monnik verontschuldigt zich, Stavronikíta is maar een klein klooster.


maandag 15 september 2014

387 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 4/7

Op het pad naar het Russisch klooster zien we een simpel bord, we passeren de grens en zijn op het territorium van het klooster. We lopen langs verschillende nieuwe gebouwen en bereiken het hoofdgebouw. Rond het centrale deel van het klooster staat een stenen wal. Via een poort bereiken we het hoofdgebouw. Op de muren prijken enkele mozaïeken zoals van Maria en Jezus.

Het grote gebouw heeft zeven verdiepingen. De gestuukte muren in blauwgroene pastel kleur  zijn voorzien van talloze ramen, die in rijen met mathematische precisie zijn geplaatst. We vinden de ingang van een groot gastengebouw met zes verdiepingen.  De guestmaster laat lang op zich wachten. We kunnen hem ook niet opsporen.

Michael en ik hebben bij elkaar een behoorlijk arsenaal met vreemde talen. Roemeense landgenoten, monniken en werklui, maken een praatje met Michael en geven hem nuttige tips. Deze contacten zijn spontaan en erg hartelijk.



In een ontvangstzaal staat raki, koffie en voedsel klaar voor pelgrims. Een groepje Russische en Oekraïense pelgrims zijn hier al wat langer en komen een glaasje raki drinken. We begroeten elkaar en er heerst, ondanks de taalproblemen, een kameraadschappelijke oude jongenssfeer.

Iwan, een Russische monnik, heft een glas raki omhoog en roept met een jolig ondeugend gezicht ‘Schnaps!’ Ik trek een gezicht, alsof ik gruwel van dit bocht. Een Russische soldaat ziet mijn foto’s van de brandweer en roept trots dat hij, Kameradski, ook bij de brandweer zit. Hij rukt zijn militaire badge van zijn mouw en schenkt deze aan mij. We hebben samen plezier.


Een Russisch-orthodoxe pelgrim spreekt Engels en vraagt me op denigrerende toon, wat ik hier zoek. Hij straalt een fanatieke gedrevenheid uit. Hij heeft zich verdiept in allerlei godsdiensten zoals het Boeddhisme. Tijdens zijn zoektocht naar de ware godsdienst is hij zelfs in verlaten onherbergzame gebieden geweest en heeft daar zware beproevingen doorstaan. Na deze zoektocht heeft hij de Orthodoxie gevonden, de enige ware godsdienst. Hij vertelt dit alsof hij geslaagd is voor zijn commando-opleiding.

De volhardende manier waarmee Michael de Orthodoxie uitlegt over de van twijfel gespeende lessen van monnik Spiridon geven me het gevoel dat ik in een verkeerd supportersvak zit. Dit is een godsdienst van zekerheden, een godsdienst die twijfel en dialoog vermijdt. Dankzij Michael, die me in elk moment de orthodoxe verkeersregels uitlegt, val ik in de kloosters minder uit de toon.

vrijdag 12 september 2014

385 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 3/7


Dáfni, onze entree op Athos, is een betonnen aanlegplaats voor de boten met enkele gebouwtjes. Een bescheiden locatie aan de voet van begroeide rotsen. De ketting van de stalen klep ratelt tot deze op de betonnen aanlegsteiger steunt. Passagiers spoeden zich aan wal, voordat de voertuigen met materialen van boord gaan. Zowel Michael als ik kijken rond in onze nieuwe onbekende wereld.

Michael vraagt naar mijn plannen. Die heb ik niet. Hij heeft wel enkele concrete wensen, zoals een bezoek aan een Roemeense monnik. Eerst drinken we samen koffie en besluiten om de komende drie dagen met elkaar op te trekken. Op een houten bank onder een afdak van zeildoek overleggen we.

Naast me op de bank zit een monnik, zacht gebruind mild gezicht en golvend grijze krullende baard. Op zijn hoofd draagt hij een zwart afgeplat cilindrisch hoofddeksel. Een hand steunt zijn kin onder zijn baard en staart onbeweeglijk, ontspannen voor zich uit. Hij lijkt niets te zien.

Michael en ik willen samen in het grote Russisch-orthodox klooster overnachten. We lopen vanaf  Dáfni langs een weg omhoog en slaan af naar het klooster Xiropotámou. Een gastenmonnik ontvangt ons en geeft ons een glaasje rakí en een zoete traktatie (Turkish Delight) . Daarna vergezelt hij ons en vier zojuist gearriveerde pelgrims, naar de kerk. In de schemerige ruimte overdadig beschilderde wanden met fresco’s, hangen fraaie iconen en goudkleurige kroonluchters.
Als de priester in het midden naast een zilveren kruis staat, overhandigt ieder (behalve ik) zijn zilveren en gouden halskettingen. De orthodoxe pelgrims drukken het voorhoofd tegen het kruis en kussen het. Ik let op Michael, die mijn voorbeeld is in deze plechtige omgeving, totdat de monnik opmerkt dat ik niet-orthodox ben.


Wanneer ik hem in de plechtige ruimte vraag hoe hij dat ontdekt heeft, antwoordt hij: ‘Je loopt hier rond alsof je een museum bezichtigt met je handen op je rug.’ In deze religieuze tempel klinkt de wat humoristische terechtwijzing van de monnik kil en formeel.


Na ons bezoek aan het klooster volgen we op aanwijzingen van een Roemeense landgenoot van Michael een bergpad dat leidt naar de kellí van papa Spiridon. Halverwege de berg staat een klein witgekalkt huisje met een kapelletje. Rond het huis liggen perceeltjes met groentebedden. Papa Spiridon is een monnik van ongeveer 60 jaar. Hij begroet Michael beheerst hartelijk. Zij spreken met elkaar in het Roemeens. We krijgen een glaasje tsípouro en de zacht zoete loukoúmi.

In de sobere ruimte praat Michael uitgebreid met de kluizenaar. Hij heeft vragen, waar ik geen enkel besef van heb. Hier voel ik me een religieuze analfabeet, een buitenstaander.


De monnik zit aan een tafel terwijl hij met zijn blote voet een jong poesje op de grond streelt. Dan richt de monnik zich tot mij met al mijn twijfels. Hij constateert dat ik hier niet toevallig ben. Bij het afscheid is hij overtuigd dat ik een keer met mijn kleinzoon zal terugkomen.

dinsdag 9 september 2014

383 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 2/7


Op het strand ontmoet ik een Griekse vrouw, Vicky, in gezelschap van haar dochter en een vriendin. Vicky is 72 en bezit de ouderlijke woning langs de boulevard. Ze woont met Terence, haar Britse echtgenoot, afwisselend in Londen en in Ouranoúpoli. Zodra ze hoort dat ik pas morgen naar Athos ga en de afgelopen nacht buiten op de speelplaats van de school heb geslapen komt ze in actie. Vannacht mag ik slapen in het appartement op de begane grond aan de boulevard.

Vicky twijfelt aan de toezeggingen van het pelgrimsbureau. Ze belt haar broer die orthodox priester is. Hij woont boven het pelgrimskantoor, het Holy Office en is zelfs de eigenaar. Vicky loopt met me naar het pelgrimskantoor. Zodra ze  infiltreert in het Heilige mannenbolwerk vergeten de medewerkers hun beeldschermen. Ze checkt de afspraken zodat er morgen niets verkeerd kan gaan.

Op het balkon van haar appartement maak ik kennis met haar man en een bevriend Engels echtpaar.  Er liggen ook verschillende dikke boeken over de monnikenstaat Athos. Terence heeft Athos al menig keer bezocht. Vicky vertelt over Athos. Haar ouderlijk huis lag hemelsbreed op twee km afstand van de grens van de monnikenstaat. In haar jeugd passeerden ze vroeger zonder problemen deze grens en gingen ze er soms zwemmen. Pas nadat enkele Franse vrouwen de grens waren overgestoken werd deze hermetisch afgesloten.

In het verre verleden hebben katholieken een aantal orthodoxe priesters gedood. Dit staat al eeuwen lang gegrift in het orthodoxe geheugen. Daardoor zijn er nu soms nog problemen met de gastvrijheid ten opzichte van katholieke bezoekers. Orthodoxe gelovigen uit de hele Balkan, Rusland en de voormalig Russische republieken bezoeken het schiereiland.

De Berg Athos is een bijzonder land, halfweg tussen hemel en aarde. De bewoners op Athos zijn niet tevreden met wat de wereld biedt; zij zoeken naar iets meer dan de stoffelijke wereld en verder dan de aardse schoonheid. Door geduldige lijdzaamheid en bovennatuurlijke worstelingen hebben ze op de Berg Athos gevonden wat ze zochten. Ze beschouwen dit als een grote schat, die ze tot het eind van hun leven willen behouden. Op de Heilige Berg leiden mannen een nieuw leven, een voorproef je van de toekomstige gelukzaligheid.

’s Ochtends legt de bevoorradingsboot aan, opent de laadklep waarna enkele auto’s het schip oprijden en monniken goederen aan boord brengen. Michael, een 26 jarige Roemeen, wacht met mij om aan boord te kunnen van de boot naar Athos. Hij is orthodox en wil gedurende een maand verschillende kloosters bezoeken en beslissen in welk klooster hij straks voorgoed blijft. Samen helpen we de monniken met het dragen van dozen en kratten naar het schip.
Het schip vaart langs de kust van Athos. Vanaf het bovendek zien we de heuvels van het schiereiland tegenover Athos. Op de grillige heuvelachtige kust van Athos ontdekken we tussen het groen een verborgen huisje en langs de kust kloosters, beschut door hoge vestingmuren..

zondag 7 september 2014

381 - TERIE LEIJS: EEN WANDELAAR OP DE AGION OROS, DEEL 1/7

Terie Leijs was maatschappelijk werker in Noord-Brabant. Na zijn pensionering (2002) wandelde hij grote afstanden door geheel Europa. Hij ontmoette vele mensen en sliep bij voorkeur bij de plaatselijke brandweer. In 2008 liep hij van Igoumenítsa naar Istanboel. Onderweg nam hij zich voor naar Athos, de Heilige Berg, te gaan. Dat lukt pas dit jaar. In het voorjaar liep hij de Via Egnatía: vanaf Albanië naar Thessaloníki, waar hij de bus naar Ouranoúpoli (Athos) nam. Uit het verslag van zijn wandeltocht mag ik hieronder zijn Athos-ervaringen (p 58-76) publiceren.
(Foto's: Terie Leijs)

Onderweg naar Thessaloníki, ongeveer 30 km, rijden we langs het stadje Agios Athanásios. Tijdens mijn tocht door Griekenland in 2008 sliep ik bij de papas van Agios Athanásios, Stávros, en zijn vrouw Helen. Ze raadden me toen aan om de Berg Athos te bezoeken. Op dit eiland zijn kloosters waar volgens hen de Grieks-orthodoxe religie het meest zuiver zichtbaar en voelbaar is. Mocht er een goede gelegenheid zijn, dan beloof ik er naar toe te gaan. In 2008 lukte het me niet om mijn belofte na te komen. Dit jaar (2014) vervul ik deze belofte en wil ik met een bezoek aan deze monnikenstaat mijn reis afsluiten. 

Vanaf het busstation loop ik op de aanwijzingen van de GPS naar het pelgrimsbureau in het centrum. Het bureau is zo verborgen in het centrum dat ik het niet kan vinden. Zelfs vlakbij, aan de overkant van het bureau, kennen de mensen het niet. Een orthodoxe priester helpt me door voorbijgangers te vragen naar het pelgrimsbureau tot een oude vrouw precies weet waar het is. Naast een boekhandel hangt een bordje aan de muur: HOLY EXECUTIVE OF THE HOLY MOUNT PILGRIM’S BUREAU.

Op de Heilige Berg worden maximaal 110 orthodoxe en 10 niet-orthodoxe pelgrims toegelaten. Als niet- orthodox heb ik dus aanzienlijk minder kans. Op de vakantiebeurs in Nederland heeft Sofía Bournátzi, hoofd van het verkeersbureau van Chalkidikí, me beloofd om te bemiddelen indien er problemen zouden zijn. Er is pas overmorgen een plek voor mij, de anders-gelovige.


Na een rondje centrum Thessaloníki rijd ik met de stadsbus naar het K-TEL busstation waar de bus naar Ouranoúpoli pas tegen de avond vertrekt. Het is een rit van 120 km. Wachten in het busstation aan de buitenkant van Thessaloníki betekent mensjes kijken en een rondje slenteren. 

Een groepje mannen uit Oekraïne loopt zoekend rond achter de zwartgerokte orthodoxe monnik. Logisch dat zij ook naar Athos zullen reizen. Zij zitten achter me in de bus. In de bergen suist de bus vloeiend door de bochten, mede dankzij de retarder (motorrem) en klimt ook erna even beheerst naar boven.

Het bovenste deel van het portierraam bij de chauffeur is dichtgeplakt met afbeeldingen van ikonen. Naast de chauffeur zijn er nog twee assistenten in de bus. Tijdens de drie uur durende rit houdt één van hen de chauffeur aan de praat, en slaat regelmatig kruisen en legt tot slot zijn hand op zijn hart. 

Even voor de eindbestemming voel ik de hand van Georgio, een Russisch-orthodoxe priester uit Oekraïne die achter me zit, op mijn schouder. De monnik wijst in de verte  naar de Berg Athos, de Heilige Berg, die als een eenzame, zacht zilveren piramide verschijnt in de gloed van de avondzon. Georgio kijkt verzaligd naar de wonderberg, het voorportaal van de hemel, terwijl zijn Oekraïne in brand staat. 





Bij aankomst in Ouranoúpoli is het inmiddels donker geworden. Ouranoúpoli is het laatste dorp voor de grens van de monnikenstaat. Het is een toeristisch dorp met restaurantjes, hotels en met een kampeerverbod.



Hangend over de balustrade van restaurantjes hangt personeel om klanten te lokken. Als dit niet lukt, houden ze op straat mensen aan. Gezien het late tijdstip laat ik me ook verleiden.
In het donker zoek ik een plekje om te slapen. Ik vrees dat dit hier moeilijk is. Mijn GPS en mijn lamp loodsen me door de donkere steegjes. Als ik het dorp verken ontdek ik een leeg schoolplein met drie overkapte ingangen. De laatste ingang lijkt me als slaapplaats het meest gunstig. Ik spreid daar mijn bedje en geniet even later vanuit mijn slaapzak van een flonkerende sterrenhemel.
Om 7 uur sta ik op, omdat ik op tijd schoolgaande kinderen verwacht. Om half acht opent een werkster de deur van de middelste ingang. Ik begroet haar en hoor dat de leerlingen vakantie hebben.